Schrijfresidentie Wisper (week 1)

Ik trek de voordeur van ons huis dicht. Na meer dan een jaar schrijven in dit huis of in koffiebars, ‘ga’ ik vandaag werken. Ik fiets gezwind door de stad. Deze morgen heb ik boterhammetjes gesmeerd. Lekkere boterhammetjes, met kaas, tomaat en rucola. Want dat hoort nu eenmaal bij gaan werken. Na wat gesukkel met de sleutel, open ik de voordeur van de Bouwmeestersstraat. Nu volgt er gesukkel met mijn fiets die ik moeilijk het trapje voor de deur op krijg. Maar kijk, daar is de sympathieke Bent Van Looy, die de deur voor me open houdt.

Het eerste half uur loop ik wat verloren rond in het beeldatelier. Welke tafel zal ik kiezen? Waar vind ik koffie? Is er een stopcontact voor mijn laptop? Voor ik aan de daad van het schrijven kan beginnen, worstel ik telkens met uitstelgedrag. Thuis vertaalt zich dat in: ik zal nog even naar de bakker gaan, de planten lijken water nodig te hebben, ik kijk nog even naar mijn mails en meer van dat soort tijdverdrijf. Hier in het beeldatelier van WISPER wordt het: ik moet de nieuwe structuur van mijn roman op papier zetten. Een nieuw huis. Centraal in mijn boek staat immers een miniatuurhuis. Ik maak een eerste schets op papier. De lijntjes van het huis in pen, de titels van de hoofdstukken in potlood, want dat verandert wel eens doorheen het schrijven.

Ik neus wat rond in het materiaal in het beeldatelier en ontdek drukinkt. Het resultaat van de dag: een monoprint van het miniatuurhuis. Nu maar hopen dat dit beeldatelier me ook zal doen schrijven.

Mijn twee zoontjes zijn nieuwsgierig naar het atelier waar mama nu gaat schrijven. De volgende dag neem ik hen een voormiddagje mee. Eerst stellen ze veel vragen: ben jij hier helemaal alleen? Wie zit er in die andere kamers? Ik leg hun uit dat dit ooit een school was, maar dat het gebouw nu bevolkt wordt door allerlei kunstenaars. Dan gaan ze op verkenning in het atelier. Ze schilderen met een echte ‘kunstenaarsborstel’, maken een print, er wordt geknipt en geplakt. Ze besluiten dat kunstenaar zijn heel leuk is.

Plots vraagt mijn oudste zoon ‘Mogen kunstenaars alles doen wat ze willen?’ Ik slik even. Ik denk aan de vele gevluchte schrijvers die ik via mijn werk bij PEN Vlaanderen leerde kennen. Kunstenaars die niet mochten doen wat ze willen. ‘Soms, maar niet altijd,’ antwoord ik mijn zoontje. Hij knikt en werkt verder aan zijn collage. In de namiddag heb ik het atelier voor mij alleen. Ik installeer me aan een tafel bij het raam.

Schrijven, schrijven, schrijven. Heerlijk. Fijn om een plek te hebben om te ‘gaan’ werken.